Shape CopyShapecancelGroupGroup Copy

Teklay

Teklay deed als kind mee aan hardloopwedstrijden in Ethiopië. Hij won ‘altijd’. Nu is hij in Nederland en droomt hij nog altijd van meedoen aan de Olympische Spelen. Maar hoe doe je dat als je geen schoenen hebt en geen land om voor uit te komen?

Tekst: Jonneke van Wierst

(Amsterdam, oktober 2014)

MANNEN HUILEN NIET

Hij vindt het moeilijk, zegt hij, om woorden te vinden voor wat hij voelt. Hij komt niet uit een cultuur waarin mensen elkaar vertellen wat ze voelen. Mannen al helemaal niet.

Vervolgens vertelt hij gedetailleerd zijn verhaal, in zijn moedertaal, het Tigrinya. Heel soms wacht hij even tot hij de tranen die doorlopend in zijn ogen branden heeft ‘weggeduwd’. De uitdrukking op zijn gezicht is standaard gekweld, maar als de tolk zijn woorden in het Nederlands vertaalt, lijken zijn herinneringen weg te zweven en ontspant zijn gezicht zich en toont een soort kwetsbare verbazing. Alsof hij zelf niet wist dat hij zoveel ‘vroeger’ in zijn hoofd had en zijn verhaal zo ‘vanzelfsprekend’ doorloopt.

Hij is ondertussen opvallend openhartig en toont een enorm scala aan emoties, in zijn ogen, in zijn stem. Het enige wat hij echt niet doet is hardop huilen.

Hij vertelt over zijn jeugd. Teklay was vijf toen hij met zijn familie van het huidige Eritrea naar Ethiopië verhuisde. Zijn oudste broer, Dirar, bleef in Eritrea achter bij zijn grootouders. De grens die er nu loopt was er toen nog niet. Eritrea was nog geen apart land.

DROMEN

Ze waren arm, maar hadden het goed met elkaar in Ethiopië totdat in 1998 de oorlog tussen Ethiopië en Eritrea uitbrak. Zijn moeder was zorgzaam en liefdevol. Zijn vader werkzaam en evenwichtig. Zijn tweede broer Mekonen was zijn grote voorbeeld. Ze woonden met z’n vieren in een huisje van ongeveer vier meter breed en zes meter diep. Dat huisje was tegelijk hun winkeltje waarin ze van alles verkochten: snoep, kauwgom, sigaretten. Zijn moeder bereidde maaltijden met injera en gestoofde groenten die ze verkocht langs de kant van de weg. Zijn vader was vaak op reis, deed zaken, vooral met Eritrea.

Zijn broer Mekonen, twee jaar ouder dan hij, runde de winkel en deed honderd-en-één andere klussen. Mekonen was ‘meer dan een broer’. Hij was zijn beste vriend en zijn ‘coach in het leven’. Hij bepleitte bij zijn ouders dat Teklay naar school zou gaan, de kans zou krijgen zijn dromen waar te maken. Mekonen zei hem dat hij niet moest roken of drinken, niet naar meisjes moest kijken, maar door moest leren. En dat er een dag zou komen waarop ze allemaal trots op hem zouden zijn.

HARDLOPER

‘Als u me toestaat in Nederland te blijven, zou ik heel graag ergens geplaatst worden waar ik kan trainen. Ik ben een gepassioneerde hardloper,’ zegt Teklay in oktober 2013 op de laatste, de standaardvraag, van de IND-ambtenaar: ‘Heeft u zelf nog vragen of opmerkingen?’

Het is een opmerking die ‘uit de lucht’ komt vallen, na eindeloos gevraag over wie precies wanneer, waar en waarom vermist is geraakt, gearresteerd is of gedeporteerd, nooit meer teruggekomen, waarschijnlijk vermoord, gesneuveld of gewoon gestorven. Een opmerking van iemand die nog steeds leeft, sterker nog, die ‘een passie’ heeft. Een opmerking waar niet op in wordt gegaan…

Als Teklay uit school kwam vroeger bracht hij boodschappen rond. Omdat hij snel klaar wilde zijn, ging hij steeds harder lopen. Zo begon het: elke middag rende hij, kilometers achter elkaar, terwijl hij zijn rondes deed. Later deed hij mee aan wedstrijden, vertegenwoordigde zijn school in andere steden in Ethiopië. Hij won ‘altijd’. Hij zegt het zonder enige ophef of trots, als een nuchter feit. En nu, in 2014, in de Vluchtgarage in Amsterdam Zuid-Oost, heeft Teklay veel verloren, maar nog steeds niet de droom die hij deelde met zijn broer Mekonen: deelnemen aan de Olympische Spelen. Ooit.

Hij verzet zich tegen de gedachte dat het allemaal ‘te laat’ voor hem is, zoals zijn medebewoners roepen. Nog altijd, zegt hij, is hij in staat tijden te lopen op de 5000 en de 10.000 meter waarmee hij zich kan meten met de allerbesten. Zijn held is Haile Gebrselassie. Ook hij had aanvankelijk de wind tegen. Ook híj brak pas echt door rond zijn dertigste. Teklay heeft, zegt hij, slechts goede schoenen nodig en een land om voor uit te komen…

OORLOG EN DEPORTATIE

Het slepende grensconflict tussen Ethiopië en Eritrea ontaardt in 1998 in een oorlog die duurt tot december 2000. Kort na het uitbreken van die oorlog stopt er een auto van de Ethiopische geheime dienst voor het winkeltje van Teklay’s familie. Zijn vader wordt meegenomen. Weken achter elkaar proberen zijn moeder en broer luchtig te doen over de arrestatie van zijn vader. Ze zeggen dat zijn vader natuurlijk gewoon terug komt. Maar Teklay vangt geluiden op dat ‘men’ zijn vader verdenkt van spionage omdat hij zo vaak voor zijn werk heen en weer ging naar Eritrea. Als Teklay op bed ligt en zijn moeder en broer met elkaar hoort fluisteren, vreest hij het ergste. Drie maanden na de verdwijning van zijn vader worden Teklay, Mekonen en hun moeder gesommeerd in een bus te stappen en Ethiopië te verlaten. Ze hopen zijn vader eindelijk terug te zien op de plek waar zij met honderden andere Eritreeërs bijeen worden gedreven voor hun deportatie naar Eritrea.

UIT ZIJN LEVEN

Maar zijn vader is er niet.  Teklay, Mekonen en hun moeder keren zonder hem terug naar Eritrea. Teklay trekt zijn conclusies, zonder die hardop te delen met zijn moeder of zijn broer: zijn vader is vermoord op verdenking van ‘spionage’.

Een week na aankomst in Eritrea verdwijnt ook Mekonen uit zijn leven. Hij komt niet meer terug nadat hij ’s middags de plek heeft verlaten waar ze gedrieën onderdak hebben gekregen kort na hun aankomst in Eritrea. Ze horen van mensen dat hij door rondrijdende militairen, op zoek naar nieuwe rekruten, op een pick-up truck is gehesen en meegenomen. Mekonen is negentien, als hij verdwijnt. Ze horen nooit meer iets van hem.

Alleen met zijn moeder bereikt Teklay enkele weken later het huisje van zijn grootvader in het dorp Shekete, ongeveer 25 kilometer vanaf de hoofdstad Asmara. Zijn grootouders zijn inmiddels overleden. Van de zussen van zijn vader horen ze dat Dirar, zijn oudste broer, al maanden daarvoor door het leger is opgeëist. Ze weten niet of hij nog leeft, maar vrezen het ergste.

Ook van Dirar zal niemand ooit nog iets vernemen.

SOEDAN

In juni 1999 wordt Teklay zeventien. Kort daarna ontvangt hij een brief waarin staat dat hij zich binnen vijf dagen moet melden bij de autoriteiten voor een gevechtsopleiding voor het leger. In een woedende opwelling verscheurt hij de brief. Zijn moeder gaat op zoek naar een betrouwbare persoon die haar jongste zoon naar Soedan kan smokkelen. Aan de grenzen van Eritrea wordt overal gepatrouilleerd. Iedere dienstweigeraar die wordt gepakt wordt ter plekke doodgeschoten. Teklay is bang maar resoluut. Hij vlucht naar Soedan en weet de hoofdstad Khartoem te bereiken.

GEHEIME DIENST

Er wonen veel Eritrese vluchtelingen in Khartoem en iedereen is bang voor de activiteiten van de Eritrese geheime dienst, waar ze elkaar nare verhalen over vertellen. Ze zouden jagen op dienstweigeraars. Zelfs nu, in Nederland, is Teklay er nog steeds niet gerust op dat het hem niet alsnog kan gebeuren: ’s nachts, geblinddoekt in een busje geduwd worden. Hij maakte het mee in zijn naaste omgeving, zegt hij: drie goede vrienden van hem verdwenen spoorloos en hij hoorde het over talloze anderen.

Het was in Soedan niet moeilijk om aan eten en drinken te komen en een plek te vinden om te wonen. Hij pakte elk baantje aan dat hij krijgen kon, maar, zegt hij ‘Ik leefde omdat dat zo was, niet omdat ik het wilde.’ Zijn hoofd zat vol angst en zorgen om zijn moeder in Eritrea, zijn broers in het leger en zijn in Ethiopië verdwenen vader.

Hij werkt als sjouwer in de wegenbouw. Als schoonmaker in bars en restaurants. Voor een autoverhuurbedrijf. Als tuinman. Als gastheer in een shishabar. Als riksjarijder. Altijd en overal komt het moment dat hij door collega’s wordt weggetreiterd omdat hij christen is of door de baas weggestuurd omdat hij geen papieren heeft. Hij probeert papieren te krijgen maar loopt overal tegen muren op. En dat is niet het enige. Christenen worden in Khartoem vernedert, verkracht en afgeperst.

"‘Ik leefde omdat dat zo was, niet omdat ik het wilde.’"

LIEFDE VAN TWEE KANTEN

Teklay woont in een huis met zes andere mensen. Het is 2002. In het huis naast hem wonen een paar gevluchte Eritrese meisjes. Hij is niet uit op een huwelijk of een relatie, maar ‘het gebeurt gewoon’. Hij ontmoet Aster en het gevoel is ‘te sterk’: ‘liefde van twee kanten’.
Haar zwangerschap overvalt hen beiden. Hun zoon Kibrom wordt geboren in juli 2003 en ondanks alle moeilijkheden waarmee ze leven zijn ze ‘heel blij’ met hem. Pas na de geboorte van Kibrom sluiten ze een ‘klein huwelijk’ in de kerk.

Dienstplicht in Eritrea

De dienstplicht in Eritrea geldt niet alleen voor jongens en mannen vanaf (officieel) 18 jaar, maar ook voor meisjes. Iedereen van 18 moet na het verlaten van school een ID-kaart aanvragen en krijgt daarna een oproep om militaire of ‘sociale’ arbeid te verrichten in dienst van van het regime. Officieel duurt de plicht 18 maanden, maar in de praktijk is deze vaak ‘oneindig’. Vandaar dat zoveel jongeren na hun middelbare schooltijd Eritrea ontvluchten. Getrouwde vrouwen met kinderen wordt het overigens toegestaan thuis te blijven en voor hun kinderen te zorgen.
Mensen die hun dienstplicht vervullen krijgen nauwelijks betaald, hebben slechts een week per jaar vakantie en worden vaak ver van huis gestationeerd, zodat een gezinsleven zo goed als onmogelijk is. ‘Ongehoorzaamheid’ tijdens de dienst wordt willekeurig bestraft met opsluiting in de gevangenis, lijfstraffen en/of foltering. De Eritrese dienstplicht wordt wel omschreven als ‘slavernij’. ‘Eigenlijk alle economische activiteit in Eritrea leunt op ‘dienstplichtigen’. Het is voor dienstplichtigen onmogelijk een visum te krijgen om het land te verlaten. Deserteurs en dienstweigeraars worden wreed bestraft en ook familieleden van dienstplicht-ontduikers lopen het risico te worden opgepakt en gemarteld. Het regime in Eritrea wordt wel vergeleken met dat in Noord-Korea.

Lees verder: UN Inquiry reports gross human rights violations in Eritrea

Eritrese vluchtelingen in Soedan zoeken en vinden hun familieleden via lijsten en afkondigingen in de orthodoxe kerken. Op een avond in datzelfde jaar 2003 krijgt Teklay bezoek van twee vrienden die hem opgewonden meedelen dat zijn moeder in Khartoem is en hem zoekt. De priester heeft zijn naam afgeroepen tijdens de dienst. Halsoverkop huurt Teklay een autoriksja en rijdt naar het adres dat zijn vrienden hem opgeven. Bijna vier jaar heeft hij zijn moeder niet gezien en niets over haar vernomen.
‘Mijn leven kwam bij me terug,’ zegt hij over het moment dat hij zijn moeder in Khartoem in de armen sloot. Alsof bij toverslag een vervaagde foto in zijn hoofd weer kleur en contour kreeg. ‘Ik was mijn herinneringen aan vroeger kwijt. Mijn moeder bracht ze terug.

BLOEDKANKER

Teklay en Aster kregen een tweede kind, Meron, een dochtertje, in mei 2009. Kort daarop werd Aster ziek. Ze was doodmoe, werd steeds magerder en bloedde uit haar neus en haar mond. Teklay vertelt het bijna fluisterend. Ze gingen naar de dokter. De dokter zei ‘bloedkanker’ en ‘niet langer dan zes maanden’. Het klopte. Aster was vierentwintig en stierf vóór Meron een jaar was. Teklay was zesentwintig en bleef achter met een baby en een zoontje van zes. Intussen werd het leven als christen in Khartoem bijna onmogelijk. Steeds meer van zijn Eritrese vrienden besloten Soedan te ontvluchten. Velen gingen naar Israël, totdat die route werd ‘afgesloten’. De route die overbleef, was die naar Europa.

AFSCHEID

Teklay aarzelt heel lang. De gevaren van de tocht naar Europa zijn genoeglijk bekend. Elke Eritreeër heeft wel een familielid, een vriend of een buur die zijn vlucht niet heeft overleefd. De berichten over de gammele bootjes met honderden opvarenden die vergaan voor de kust van Lampedusa bereiken de families veel sneller dan de telefoontjes van de zoons of dochters die na een reis van maanden vanuit Italië bellen dat ze ‘veilig’ zijn. Niet alleen de boottrip, ook de tocht door de woestijn van Libië, ‘big business’ voor gewetenloze mensenhandelaren, wordt velen fataal. En dan is er het geld dat ergens vandaan moet komen,  meestal van familie en vrienden.

Teklay wil zijn kinderen onder geen beding blootstellen aan de gevaren van de reis. Maar ze achterlaten is eigenlijk ook geen optie. Ook zijn moeder wil niet dat hij gaat, maar de harde realiteit in Soedan, het gebrek aan uitzicht op een toekomst voor zijn kinderen, en de druk vanuit zijn vriendenkring in vooral Israël –ze hebben het bedrag zelfs al voor hem bij elkaar gebracht!- doen hem besluiten.
‘Als je de reis overleeft, krijg je in Europa een status,’ houdt iedereen hem voor. Net als dat hij moet voorkomen in Italië als asielzoeker te worden geregistreerd.

Teklay legt zijn lot en de toekomst van zijn kinderen in de handen van God. Hij vertelt zijn kinderen niet dat hij lang, misschien wel voorgoed, weggaat. Hij zet slechts op 28 maart 2013 zijn koffer in een riksja en vertrekt. Afscheid nemen van zijn kinderen kan hij niet aan.

ZAND EN ZON

Vanaf Khartoem rijden ze in een open pick-up truck naar het punt waar de grenzen van drie landen samenkomen: Libië, Egypte en Soedan. Er is daar niets behalve zand en zon. Ze mogen twee dagen lang geen geluid maken. Dan rijden ze de Libische woestijn in. Niet over een officiële weg, maar over stenen en zand waarin de wielen vaak tot de helft verdwijnen.

De open vrachtwagen puilt uit van de mensen. De regels van de ‘reisagenten’ zijn vooraf duidelijk gesteld: Iedereen houdt zijn mond. Wie zeurt of kritiek heeft krijgt een mep met een kapmes. Wie uit de truck valt heeft pech; stoppen is niet aan de orde. Wie gewoon dood gaat onderweg, wordt uit de vrachtwagen gegooid. De ritprijs is 1200 dollar: 1000 dollar voor de tocht, 200 voor het eten en drinken dat ze nauwelijks krijgen. Als Teklay een keer aangeeft toch wel erge honger te hebben, krijgt hij wel de toegezegde mep met het kapmes op zijn rug.

Acht dagen duurt de rit door de woestijn. Niemand valt van de truck. Een doodzieke jongen van wie iedereen vreest dat hij onderweg zal sterven, overleeft de reis. Een zeven maanden zwangere vrouw niet. En dan bereiken ze de nederzetting Uslavia, in handen van Libische mensenhandelaren die hen opsluiten in een gevangenis. De stad is ‘gepantserd’, wordt door de mannen met tanks bewaakt tegen andere rebellen, alias mensenhandelaren.

"Als Teklay een keer aangeeft toch wel erge honger te hebben, krijgt hij wel de toegezegde mep met het kapmes op zijn rug."

LOODS

Al zijn bezittingen worden Teklay afgenomen. Af en toe wordt hij uit zijn dichtbevolkte cel gehaald en mag met zijn telefoon bellen naar zijn ‘geldschieters’, die de reisagent bedragen moeten overmaken om zijn bootreis te betalen en hem daarmee ‘vrij te kopen’. Het duurt twee maanden voor de noodzakelijke 2100 dollar is bijgeschreven op de rekening van de reisagenten.

Hij verhuist naar een groot, afgesloten kamp, een soort loods, waar hij met vierhonderd andere mensen de dag af moet wachten waarop hij misschien naar een boot gebracht wordt. Het is verstikkend heet in de loods, dag en nacht. Ze slapen op de kale vloer, ook de ongeveer honderdvijftig vrouwen en dertig kinderen. Twee maal per dag wordt er eten uitgedeeld, alleen rijst of brood. Twee keer per week mogen ze douchen. Er zijn twee toiletten voor vierhonderd mensen. Voor een toiletgang sta je gemiddeld twee uur in de rij. De hygiëne is erbarmelijk.

BIDDEN EN ZINGEN

Na drie maanden is het zover. Er is een boot gevonden waar –hij noemt een exact aantal- 153 personen op kunnen. In de nacht van 14 op 15 augustus vertrekken ze naar de kust, als vee in een enorme vrachtwagen: 94 mannen, 47 vrouwen en 12 kinderen. De reis duurt tweeënhalf uur.

Iedereen mag twee kleine flesjes water aan boord meenemen. Voedsel, zo wordt er gezegd, is aan boord ‘volop aanwezig’. Het schip is zo vol dat ze nauwelijks kunnen zitten. Al snel blijkt er alleen voor de twee Egyptische kapiteins op het schip eten –en drinken- aan boord te zijn genomen. Na twee dagen zijn de twee kleine flesjes die iedereen voor zichzelf heeft meegenomen leeg. Na drie dagen is ook de benzine van de boot op en dobberen ze alleen nog maar. De kapiteins zeggen dat ze er ‘bijna’ zijn. Ze bevinden zich nu in de zone waar de Italiaanse en Europese grenspolitie patrouilleert en moeten wachten tot ze gevonden worden.

Teklay laat opnamen zien die hij maakte met zijn mobiele telefoon: golven en mensen die bidden en zingen. Ook hij kon niet anders dan bidden. Iedereen was zeeziek, en zo verzwakt dat hij, ook al kon hij zwemmen, zoals Teklay, onmiddellijk zou verdrinken als de boot teveel water zou maken en zinken. Alleen op sommige momenten, als de golven hem in de nek sloegen, kwamen hem de gezichten van zijn kinderen voor ogen. Verder herinnert hij zich alleen de kou en de trance van het bidden en het zingen.

De vijfde dag worden ze ontdekt door een overvliegende helikopter. Enige tijd later komt er een patrouilleschip langszij. Ze krijgen water en wat eten en benzine om, onder begeleiding van de grenspolitie, door te varen naar Sicilië.

EUROPA

Niemand wordt op Sicilië door de Italiaanse autoriteiten geregistreerd. Behalve de mensen die te ziek zijn om door te reizen. De rest wordt met handgebaren duidelijk gemaakt dat ze vooral moeten ‘doorstromen’, verder Europa in. Teklay koopt voor 60 euro een kaartje voor de bus naar Rome en kan daar zijn moeder bellen om te zeggen dat hij het heeft gered.

In Rome zijn er de ‘tussenpersonen’: Eritreeërs die hun nieuw gearriveerde landgenoten voor bedragen met commissie verder Europa in helpen. Hij reist met treinen en bussen van Italië naar Frankrijk en komt aan in Nederland op 13 september 2013. Hij wil eigenlijk naar Zweden, maar Zweden is nog 600 dollar verder en zijn geld is op. Hij heeft geen andere optie dan asiel aanvragen in dit land waar hij nog nooit van gehoord heeft.

TER APEL

Op 25 oktober start zijn asielprocedure in Ter Apel. Op 31 oktober ontvangt hij zijn ‘voornemen tot afwijzing’. Teklay is namelijk niet in het bezit van documenten waaruit blijkt dat hij Eritreeër is. Een paspoort of officiële identiteitskaart heeft hij nooit bezeten. Zijn doopcertificaat is niets waard. Zijn asielaanvraag wordt op 4 november 2013 afgewezen. Op 7 november al, krijgt hij een brief waarin staat dat hij zich moet voorbereiden op vertrek uit Nederland en terugkeer naar zijn  ‘land van herkomst’.
Op 17 december klopt hij aan bij de ‘Vluchtgarage’ in Amsterdam Zuid-Oost.  Teklay is uitgeprocedeerd.

"Een paspoort of officiële identiteitskaart heeft hij nooit bezeten. Zijn doopcertificaat is niets waard. Zijn asielaanvraag wordt op 4 november 2013 afgewezen."

Naschrift

Op 15 augustus 2016 heeft Teklay op basis van nieuw aangeleverde bewijsstukken rond zijn identiteit een nieuw gehoor bij de IND in Den Bosch. Nog dezelfde dag wordt hem een vluchtelingenstatus toegekend.

DIT WAS HET VERHAAL VAN TEKLAY

ZOALS TEKLAY LEVEN ER IN NEDERLAND NOG VELE ANDERE AFGEWEZEN ASIELZOEKERS
ONGEDOCUMENTEERDE VLUCHTELINGEN

Het verhaal van Teklay is opgetekend in zijn eigen woorden na bestudering van zijn immigratiedossier, gesprekken met zijn advocaat en gedegen onderzoek naar zijn achtergrond.

Wil jij zijn verhaal delen? Doe dat dan hier.