Shape CopyShapecancelGroupGroup Copy

‘Ze bleven maar zeggen dat ze me op het vliegtuig naar Iran gingen zetten’

Mohammad (30) uit Iran had niet eens de moeite genomen om nog wat spullen uit zijn kamer in het AZC bij elkaar te rapen toen de politie hem die kans bood. Hij wist zeker dat het een misverstand was en ze hem zouden laten gaan zodra hij ze de brief zou laten zien waarin stond dat hij nog verblijfsrecht had. ‘Maar ze bekeken die brief niet eens.’

(Detentiecentrum Zeist in Soesterberg, foto © Amnesty International)

Tekst: Jonneke van Wierst

(Amsterdam, 12 april 2013)

Mohammad kwam in conflict met de Iraanse autoriteiten door zijn actieve opstelling tijdens de demonstraties rond de Iraanse presidentsverkiezingen in de zomer van 2009.
Hij vluchtte naar Nederland maar zijn asielverzoek werd afgewezen in september 2011.
‘Ik kreeg vervolgens een brief waarin stond dat ik nog vier weken mocht blijven in het AZC waar ik woonde, maar na tien dagen stond de vreemdelingenpolitie voor mijn neus. Ik werd geboeid, in een busje gestopt en afgevoerd naar een cel van het plaatselijke politiebureau. Onderweg gaf ik ze het nummer van mijn advocaat.

Twee dagen zat ik in een cel op het politiebureau. Een paar keer werd ik uit de cel gehaald en tegenover twee mannen gezet die mij vroegen of ik bepaalde papieren wilde ondertekenen zodat ze me op een vliegtuig terug naar Iran konden zetten. De hele tijd nog dacht ik: ze maken een fout en daar komen ze straks achter. Ondertussen bleven ze maar zeggen dat ze me op het vliegtuig naar Iran gingen zetten. Ik hoorde helemaal niets van mijn advocaat. Ik was heel erg bang. Doodsbang.’

Geen psycholoog

‘Ik werd overgebracht naar het detentiecentrum Zeist in Soesterberg. Daar werd me in woord en vooral gebaar duidelijk gemaakt dat ik me helemaal moest uitkleden. Ik was verbijsterd. Ik kon me niet voorstellen dat ze bedoelden dat ik AL mijn kleren uit moest trekken. Ik was een vluchteling, een asielzoeker, geen crimineel! Toen ik helemaal naakt was moest ik driemaal hurken en weer overeind komen. Ik had geen idee waarom. Ik voelde me ongelofelijk eenzaam en vernederd.

De angst die ik voelde was tweeledig; ik was heel erg bang dat ik op het vliegtuig naar Iran zou worden gezet, maar ook voor wat me hier nog meer te wachten stond. Ik registreerde nauwelijks wat er om me heen gebeurde. Ik zat opgesloten in een kleine cel en was totaal wanhopig. Uiteindelijk vroeg ik om een gesprek met een psycholoog.

Er kwam iemand met me praten, achteraf weet ik dat het een verpleegkundige was, geen psycholoog. Ik vertelde hem over mijn angst en mijn wanhoop. Hij vroeg of ik vreesde dat ik mezelf wat aan zou doen. Ik zei: ‘Ik weet het niet. Misschien wel.’

Op de kale betonnen vloer

Een half uur later wordt de doodsbange Mohammad door twee mannen uit zijn cel gehaald en ergens naartoe gebracht waar hij opnieuw al zijn kleren uit moet doen: ‘Ik kreeg een soort jurk aan van koude, gladde stof en werd in een isoleercel gezet. Een klein, kaal kamertje, met een wc-pot. Ik moest op de kale betonnen vloer zitten. Ik had het ontzettend koud. In de deur zat een luik waardoor me mijn eten werd aangereikt. Pas ’s avonds brachten ze een matrasje en een deken en een kussen voor de nacht.

Ik kon totaal niet bevatten wat er met me gebeurde. Ik had een gesprek aangevraagd om aan te geven dat ik in nood was. Dat was een verzoek geweest om hulp, om psychische bijstand. Vervolgens gaven ze me een behandeling die veel en veel erger was dan alles wat ik ooit had meegemaakt.
Waar ik eerder nog een klein sprankje hoop had gehad op de goede afloop van mijn zaak, was ik dat helemaal kwijt. Als je in een isoleercel wordt gezet denk je dat dat ‘einde verhaal’ is.’

Na ‘één of twee dagen’ krijgt Mohammad een arts te zien. Er is geen tolk. Het ‘gesprek’ duurt niet langer dan vijf minuten. Hij krijgt pillen om ‘rustig’ te worden. Na nog een dag isoleercel, oordeelt men dat hij terug kan naar een gewone cel: ‘Ik heb ‘maar’ drie dagen in de isoleer gezeten, maar ik was gebroken.’

Medicijnen

Negen maanden zit Mohammad vast, terwijl de IND ‘werkt aan zijn uitzetting’. Iran geeft geen laissez-passer omdat hij niet toestemt in een vrijwillige terugkeer. Maandelijks heeft hij een ‘terugkeergesprek’ met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V): ‘Ze probeerden me te hersenspoelen. Ik had voortdurend het gevoel dat het een spel voor hen was. Ze bouwden de druk tijdens de gesprekken zodanig op dat ik telkens bíjna had toegestemd in ‘vrijwillige’ terugkeer. Uiterlijk gedragen ze zich volstrekt correct; ze zitten netjes tegenover je en doen vriendelijk. Ze herhalen eindeloos dat je terug moet, dat je echt geen keus hebt. Ze doen alsof ze je begrijpen, echt met je meeleven en als je murw bent zeggen ze: Teken nou maar voor terugkeer…

‘In Iran had ik nooit psychische klachten gehad, nooit iets geslikt. Nu slikte ik tien tabletten per dag. Ik lag totaal versuft op bed, als een levend lijk. Mijn handen trilden voortdurend. Ik kon niets onthouden, mijn denkvermogen was weg. Ik vermoedde dat het kwam door de bijwerking van al die medicijnen. Tegelijk voelde ik dat ik niet zonder die pillen kon. Ik slikte ze om mezelf te verdoven, om minder te piekeren over mijn situatie en die van mijn familie in Iran.

Elke dag ruzie

‘Elke dag in Zeist was hetzelfde. Om acht uur ging de deur open. Als je je cel uitstapte kwam je in een lange gang. Aan het eind van die gang was een zaaltje met een voetbalspel en een pingpongtafel. De sfeer was er doorlopend heel gespannen. Mensen waren depressief en wanhopig en verveelden zich rot. Er waren elke dag ruzies. Er werd altijd gevochten. Regelmatig was er iemand die zichzelf wat aandeed, die zichzelf sneed of op een andere manier beschadigde. Die persoon werd dan in de isoleercel gezet. Dan, om 5 uur ‘s middags, werd je weer op je cel ingesloten voor de nacht.’

Op 24 mei 2012 komt Mohammad even onverwachts vrij als hij werd vastgezet. Begin 2013 wordt hem, met aanvullend bewijs uit Iran, een asielvergunning verleend.
‘Iedereen is nu blij voor me en zegt me dat de ellende achter de rug is, maar ik ben niet blij. Ik voel helemaal niets. Ik weet gewoon niet hoe ik mijn leven weer moet oppakken. Je kunt horen dat het me moeite kost om uit mijn woorden te komen. Je ziet dat mijn handen trillen. Daar had ik geen last van toen ik in Nederland aankwam. Overdag heb ik herbelevingen. ’s Nachts heb ik nachtmerries. En het is deze maand al een jaar geleden dat ik vrij kwam uit Zeist…’

Lees ook: