Shape CopyShapecancelGroupGroup Copy

‘Ik kan nog steeds niet tegen het geluid van een sleutel die wordt omgedraaid’

‘Ik bleef hopen, elke dag weer, dat ik die dag vrij zou komen. Maar het duurde zo lang, zo lang. En telkens kreeg ik nieuwe celgenoten die vervolgens eerder weg mochten dan ik. Op het laatst was mijn hele hoofd leeg. Als ik aan school dacht, kon ik alleen maar bedenken dat ze me waarschijnlijk hadden uitgeschreven. Ik had geen contact met mijn vriendinnen want ik had geen telefoonnummers. Die zaten in mijn mobiele telefoon die was afgepakt…’

 

(foto: Joost van den Broek)

Door: Jonneke van Wierst

Rotterdam, 12 februari 2013

Sita (23) deed een opleiding verzorging en liep stage in een bejaardentehuis in haar woonplaats Rotterdam. Ze had het er naar haar zin en hoopte er na afronding van haar studie te kunnen blijven. Ze was net 21 en al acht jaar in Nederland. Ooit, toen ze achttien werd, had de advocaat haar wel gezegd dat ze ‘nu illegaal’ in Nederland was, maar wat dat inhield drong niet tot haar door ofwel: ‘Ik wist niet wat ik er mee moest. Ik ging gewoon door met mijn leven en dacht er niet aan.’ De gesprekken met de advocaat rond haar procedure werden altijd gevoerd door haar vader die al sinds 1991 in Nederland woont en een Nederlands paspoort heeft.

‘Die dag in april 2010, toen ik thuiskwam, samen met mijn stiefmoeder, was hier de voordeur ingetrapt en de deur was afgesloten met een hangslot. Er hing een brief van de politie bij dat we de sleutel konden ophalen op het politiebureau. We hadden geen idee wat er was gebeurd en gingen naar het bureau. Toen we daar aankwamen en ik mijn naam had gezegd, zeiden ze: ‘Jou moeten we hebben. Jij bent illegaal. Je blijft hier en gaat niet meer naar buiten.’

Congo

Sita is 12 als zij samen met haar broertje van 10 naar Nederland komt. Hun vader is hier dan al ruim tien jaar en heeft al een tijd een verblijfsvergunning op grond van het toenmalige 3-jarenbeleid (1). Hij is in Nederland hertrouwd met een Congolese vrouw die eveneens een verblijfsvergunning heeft. Ze krijgen samen drie kinderen. De ouders van hun moeder zorgen voor de twee kinderen tot ze naar Nederland vertrekken. ‘Opa en oma waren heel arm. Het was heel moeilijk voor ze om voor ons te zorgen en zelf eten te krijgen. We hadden één maaltijd per dag, meestal rijst,’ herinnert Sita zich. In de verslagen van de IND heet het dat hun moeder ‘was getrouwd met een Rwandese man’ en met hem ‘met onbekende bestemming vertrok’.

‘Mijn moeder is niet vrijwillig weggegaan,’ zegt Sita nadrukkelijk. ‘Ze is ontvoerd door een groep Rwandese mannen. Zij hebben haar meegenomen en we hebben nooit meer iets over haar gehoord.’ Sita kan zich het incident nog herinneren. ‘Ik was erbij, maar ik weet niet meer hoe oud ik was. Het waren gewapende mannen. Ik wilde bij mijn moeder blijven, maar ze duwden me weg. Ik huilde heel erg. Mijn opa heeft me gepakt en vastgehouden. Hij zei dat mijn moeder mee moest maar de volgende dag weer terug zou komen. Ze heeft ons zeker niet vrijwillig achtergelaten.’

‘We woonden in een houten huisje. Het was piepklein. We sliepen op de grond, met z’n vieren bij elkaar. Koken gebeurde buiten. We speelden buiten met andere kinderen, maar er hing altijd een dreigende sfeer. Af en aan kwamen er gewapende mannen door de buurt en die stalen dingen. We werden vaak naar binnen geroepen en dan ging de deur op slot en moesten we heel stil zijn. Ik was altijd bang dat ze ons ook mee zouden nemen, net zoals ze mijn moeder hadden meegenomen.’

Waarom het zo lang duurde voordat zij en haar broer naar Nederland kwamen, weet ze niet precies: ‘Ik denk omdat het duur was om tickets voor ons te kopen. Mijn vader had een nieuw gezin hier en weinig geld. Ik denk niet dat hij gemakkelijk kon sparen.’

3-jarenbeleid

Tot november 2002 gold dat als een asielaanvraag 3 jaar ‘bleef liggen’, ofwel na 3 jaar nog altijd niet was behandeld, er alsnog een verblijfsvergunning werd afgegeven.

Politiecel

Sita moet de nacht doorbrengen op het politiebureau. ‘Ik moest afscheid nemen van mijn stiefmoeder. Het was echt heel erg. Het enige wat ze zeiden was ‘Je kunt contact opnemen met je advocaat.’. Ik werd naar een cel gebracht. Een kleine, donkere cel, zonder raam, met een bed en een wc in de hoek. Zoals je in films ziet. Ik moest mijn sieraden afdoen en mijn bh inleveren. Ik moest daar drie dagen blijven. Ik heb alleen maar gehuild en gehuild. Niemand vertelde me wat er verder ging gebeuren. Ik belde mijn advocaat, maar die zei dat ze het te druk had om langs te komen. Ik vroeg een agent de tweede dag of ik alsjeblieft even mijn moeder mocht bellen, maar dat mocht niet. Die agenten weten ook niet waarom je vastzit. Voor hen is er geen verschil tussen jou en een crimineel. Sommige agenten waren wel vriendelijk. Maar er waren er ook die heel kil en bits deden. Iemand vroeg me wat ik had gedaan. Ik zei: ‘Ik heb niets gedaan. Ik zit hier omdat ik geen papieren heb’. Ze zei: ‘Dat kan niet! Ze zetten je heus niet vast alleen omdat je geen papieren hebt!’

‘Verder heb je met niemand contact. Je weet niet hoe laat het is. Of het dag of nacht is. Het is alleen maar: jij, het bed en de wc. Af en toe gaat die klep in de deur open en vragen ze: ‘Wilt u luchten, mevrouw?’. Of: ‘Wilt u roken?’. Je hebt een papier, daarop staat bijvoorbeeld: ‘6 uur thee’. Dan gaat die schuif in de deur open en zeggen ze: ‘Thee!’ en dan denk je: ‘O, het is dus 6 uur’.

naakt voorover buigen

Sita wordt overgebracht naar detentiecentrum Zeist, het gevangeniscomplex op de voormalige militaire basis Soesterberg:
‘Ik werd gescheiden van de mannen en overgedragen aan vrouwelijke bewakers. Ze waren heel afstandelijk, zeiden dat ik me helemaal uit moest kleden. Ik dacht dat ik het niet goed begreep want ik was bij de politie al uitgebreid gefouilleerd. Ze zeiden: ‘Misschien heb je iets verstopt.’ Ik zei ‘Maar wat dan? En waar kan ik nou iets verstoppen?’ Ze zeiden: ‘In je lichaam.’ Het was verschrikkelijk. Ze inspecteren alles. Ze raken alles aan. Ze gaan door je haar, kijken in je mond. Je moet naakt voorover buigen. En nee, er was niemand die aardig was of me een beetje troostte…

‘Zeist was een heel nare gevangenis. Oud en vies en allemaal verschillende gebouwen. Het stonk er en het was er benauwd. Je mocht alleen maar bellen als je cellenblok aan de beurt was om te bellen, tussen een bepaalde tijd, bijvoorbeeld 10.00 – 11.00 uur ’s morgens. Dan stond iedereen te dringen en mensen werden boos op elkaar als ze wat langer aan de telefoon waren. Eén keer in week mocht je bezoek ontvangen. Als je ’s middags bezoek kreeg werd je ’s morgens al opgehaald en dan ging je met een busje naar het andere gebouw en zat je daar in een lege cel te wachten tot het zo ver was. Als je bezoek dan weer weg was, ging je terug in die cel en zat je vaak uren te wachten voor ze je weer terugbrachten. Dan was het al na vijven en zat iedereen al weer opgesloten in zijn eigen cel. Op het laatst had ik liever dat er niemand meer op bezoek kwam. Je mocht ook niets van je bezoek mee terug de cel in nemen. Voor je weer je cel inging werd je helemaal gefouilleerd.’

'Je moet, je moet, je moet...'

De detentie valt Sita heel zwaar. ‘De eerste dag al, hoorde ik van mensen die daar al 7 of 8 maanden zaten. Maar ik hoorde ook dat er geen peil op te trekken viel hoe lang je er zou blijven. Het verschilde per dossier.
Ze voert gesprekken met de ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) die haar duidelijk maken dat ze terug naar Congo moet:
‘Ze wilden dat ik tekende om terug te keren, maar ik heb niet getekend. Ik zei: ‘Hoe kan ik terug naar Congo?! Ik heb daar niemand. Mijn vader is hier. Mijn broertje is hier. Mijn hele familie is hier.’ Alles wat ik terug hoorde was: ‘JE MOET. Je moet. Je moet. Je moet.’ Ik zei: ‘Ik heb daar niemand en het is daar nog steeds onveilig. Vooral voor jonge meisjes die geen familie hebben.’ Ze zeiden: ‘Dan ga je maar naar een weeshuis, maar JE MOET.’

Ik was heel bang om naar Congo uitgezet te worden, vooral toen ze me naar de ambassade brachten. Ik was heel bang dat Congo een Laissez Passer zou afgeven. Toen ik daar kwam ben ik gelijk in mijn eigen taal gaan praten en heb ik verteld hoe mijn situatie was. Ze waren begripvol en gingen kritische vragen aan de IND stellen, zoals ‘Maar waarom moet dit meisje terug als haar hele familie hier woont?’ en ‘Waarom heeft ze eigenlijk nog steeds geen verblijfsvergunning?’ Toen het voorbij was, was ik opgelucht. Ik dacht: ze staan aan mijn kant. Ze geven geen Laissez Passer.’

'Voorbij'...

Halverwege de zomer van 2010 wordt het nieuwe detentiecentrum Rotterdam Airport in gebruik genomen en samen met de andere vrouwen in Zeist wordt Sita daar naar overgeplaatst:
‘Rotterdam Airport was in het begin een soort ‘feestje’. Ik was de allereerste in die kamer: nieuwe badkamer, nieuwe wc. Alles schoon! En je had een telefoon in je kamer. Je kon bellen wanneer je wilde. Als je bezoek had, kon je zelf met je pasje naar de bezoekersruimte lopen. Niet meer van die mannen achter je.’ En omdat ik nu in Rotterdam zat, konden er ook vriendinnen op bezoek komen.

In november 2010 hoort Sita dat het ‘voorbij’ is:
‘Ik werd uit mijn cel gehaald voor een gesprek bij DT&V. Ik had de hele dag al een boos gevoel. Ze begonnen weer de vragen te stellen, die ze al zo vaak hadden gesteld; als je vrij komt, waar ga je dan naar toe? Ik zei nogal geïrriteerd: ‘Dat heb ik toch al zo vaak gezegd? Gewoon naar mijn vader in Rotterdam! Jullie weten mijn adres!’ Toen zeiden ze: ‘Mevrouw, u bent vrij’.

Ik ging huilen! Ook lachen, maar vooral huilen! Ik ging door mijn knieën. Huilen, huilen… Ze vroegen: ‘Is er iemand die u op kan halen?’ Ik kon gewoon naar buiten! Toen ik buiten was ging ik gillen! Ik was zo blij. Zo blij….’

Naschrift:

Sita heeft haar opleiding nooit af kunnen maken. Wel heeft zij in 2015 alsnog een verblijfsvergunning gekregen.

BLOG: “Als de deur dicht is huil ik”

Lees meer